Wallonië stapt vastberaden op de co2-prestatieladder. Met een duidelijke kalender die ook bij kmo’s koudwatervrees moet wegnemen
Na Vlaanderen wil nu ook Wallonië de CO2-Prestatieladder invoeren als gunningsinstrument bij openbare aanbestedingen. Met de twee grootste overheidsopdrachtgevers op kop, gaat het over een gigantisch volume aan overheidsopdrachten in de bouw- en infrastructuursector die niet louter meer toegewezen zullen worden op basis van prijs en technische aspecten maar vooral ook omwille van bewezen duurzaamheidsinspanningen van de aannemers. “Een gunstige evolutie”, zegt Karel Asselman van Tapio, de scaleup die bedrijven helpt om hun CO2-uitstoot te meten en actie te ondernemen. “Vooral omdat de Waalse overheid de garantie geeft dat het systeem veel breder wordt uitgerold, en daarmee de kritiek wil voor zijn die in Vlaanderen is gerezen.”
“Om de logica van de CO2-Prestatieladder ten volle te begrijpen, moeten we 15 jaar terug”, vertelt Karel Asselman. “In Nederland worstelde de infrastructuur- en bouwsector met de marktparadox dat progressieve bouwbedrijven, die op eigen initiatief investeerden in schonere machines, materialen en processen hun bedrijfskosten zagen stijgen. Wanneer deze pioniers vervolgens meedongen naar openbare opdrachten, waar de laagste prijs het enige zaligmakende gunningscriterium was, trokken ze steevast aan het kortste eind. In plaats dat hun duurzame inspanningen op de markt werden beloond, gebeurde het tegendeel. Verduurzamen bleek in de praktijk een synoniem voor jezelf uit de markt concurreren. Het was de Nederlandse spoorwegbeheerder ProRail die het concept van de CO2-Prestatieladder ontwikkelde. Het basisprincipe was even eenvoudig als geniaal: geef bedrijven die aantoonbaar werk maken van CO2-reductie een commercieel voordeel bij overheidsaanbestedingen.”
Karel Asselman
Het instrument groeide in Nederland uit tot een succes en wordt vandaag onafhankelijk beheerd door de Stichting Klimaatvriendelijk Aanbesteden & Ondernemen (SKAO). “Het mechanisme draait om de zogenaamde 'fictieve prijskorting'. Inschrijvers die beschikken over een gecertificeerd CO2-managementsysteem krijgen bij de beoordeling van hun tender een fictieve aftrek op hun inschrijfsom, variërend van 2% voor de eerste treden tot wel 10% voor het hoogste niveau van de ladder. Een aannemer die inschrijft voor een project van 10 miljoen euro en beschikt over een certificaat dat recht geeft op 10% fictieve korting, wordt door de aanbestedende overheid beoordeeld alsof zijn offerte 9 miljoen euro bedraagt. Wint hij de tender, dan krijgt hij uiteraard gewoon het volledige bedrag van 10 miljoen euro uitgekeerd. Op die manier ontstaat een krachtige financiële hefboom die de extra investeringen in verduurzaming laat renderen.”
Gebrek aan overkoepelend kader
Geïnspireerd door het succes bij de noorderburen begon ook Vlaanderen vanaf 2019 met het systeem te proefdraaien. Grote overheidsopdrachtgevers zoals de Vlaamse Openbare Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) en het Departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) begonnen het systeem recent te integreren in hun grotere overheidsopdrachten. De Werkvennootschap en het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) gebruikten de ladder bijvoorbeeld voor de vernieuwing van de Scheldelaan in de Antwerpse haven, de Oosterweelverbinding en de grootschalige renovatie van het Viaduct van Vilvoorde. “De resultaten bij de absolute top van de Belgische infrasector lieten niet lang op zich wachten. Grote bouwondernemingen zoals Besix, Jan De Nul, Stadsbader en Willemen Groep investeerden aanzienlijk in hun CO2-managementsystemen. Ze behaalden trede 1 of 2 op de nieuwe ladder en boekten spectaculaire CO2-reducties op hun werven.”
“Bij gebrek aan een overkoepelend wettelijk kader wordt het gunningscriterium in Vlaanderen echter krampachtig en inconsequent toegepast. De verschillende publieke aanbesteders beslissen in Vlaanderen elk voor zich of ze de CO2-Prestatieladder opnemen in hun bestekken. Bij gebrek aan de nodige marktgarantie voor aannemers, stokt het systeem. In de praktijk is de toepassing van de ladder nagenoeg uitsluitend voorbehouden aan grote overheidsopdrachten met een geschatte waarde van meer dan 5 miljoen euro. Voor grote infrastructurele spelers is dat een haalbaar terrein, maar voor de duizenden middelgrote en regionale bouwbedrijven viel de bodem onder hun investeringsplan weg.”
“Wanneer een lokaal gemeentebestuur, een rioleringsintercommunale of een regionale huisvestingsmaatschappij beslist om bij een wegenwerf van 2 of 3 miljoen euro niet naar de CO2-Prestatieladder te vragen, vervalt het commerciële voordeel voor de lokale aannemer die investeerde in een certificaat. Deze willekeur leidt tot begrijpelijke marktfrustratie. Aannemers willen wel verduurzamen maar missen de garantie dat hun investering van tientallen duizenden euro’s en honderden uren aan interne stafcapaciteit om het certificaat te behalen, de moeite waard zal blijken.”
Vlaamse kmo’s betalen de prijs
Deze Vlaamse spagaat veroorzaakt een scheeftrekking tussen de grote hoofdaannemers en hun onderaannemers. “Om op de CO2-Prestatieladder de hoogste trede (niveau 4 of 5 op de oude ladder) te behalen of te behouden, moet een grote hoofdaannemer aantonen dat hij zijn Scope 3-emissies structureel terugdringt. En waar bevindt zich de hoofdmoot van die Scope 3-emissies? Doorgaans niet in de activiteiten van de hoofdaannemer zelf, maar bij zijn toeleveranciers van bouwmaterialen en de onderaannemers die op de werf de feitelijke uitvoering voor hun rekening nemen. Om hun eigen certificering op niveau 5 veilig te stellen, leggen grote hoofdaannemers de CO2-eisen bijgevolg contractueel ook op aan hun onderaannemers. De kmo in grondverzet, de chape-afwerker of de installateur krijgt van de hoofdaannemer de eis opgelegd om zijn CO2-uitstoot gedetailleerd te rapporteren of zelfs een certificaat op trede 1 of 2 te behalen, op straffe van uitsluiting van de werf. Voor kmo’s ontstaat zo een wrange situatie. Ze worden door de markt gedwongen om te investeren in software, datacollectie en milieuvriendelijker materieel om als onderaannemer te mogen blijven werken voor de grote spelers. Maar wanneer diezelfde kmo vervolgens zelfstandig meedingt naar een regionale overheidsopdracht kent de lokale overheid geen enkele fictieve korting toe aan hun CO2-certificaat. De kmo torst met andere woorden de volle lasten van de transitie, maar kan de lusten nergens op eigen kracht te gelde maken.”
Waalse daadkracht
“Het Waalse Gewest heeft de intentie om de zaken grondig anders aan te pakken”, zegt Karel Asselman. “Wallonië heeft de Vlaamse en Nederlandse ervaringen van de afgelopen jaren goed geanalyseerd en trekt daar de juiste lessen uit. Onder impuls van de SPW Mobilité et Infrastructures (SPW MI) en de wegenbeheerder Sofico — die samen goed zijn voor meer dan 400 miljoen euro aan jaarlijkse overheidsopdrachten — wordt de CO2-Prestatieladder uitgerold volgens een strakke, bindende en overkoepelende kalender. Iedereen in de markt weet exact waar hij aan toe is: welke stappen er wanneer komen en vanaf welke bedragen het certificaat vereist zal zijn.”
Wat de Waalse aanpak zo revolutionair maakt ten opzichte van de Vlaamse praktijk, zijn twee doorslaggevende keuzes: de hoogte van de projectdrempels en de garanties in de tijdlijn.
“Wallonië beperkt zich niet tot megaprojecten van meer dan 5 miljoen euro. De Waalse kalender voorziet in een stapsgewijze daling van de financiële drempel. Uiteindelijk zal de CO2-Prestatieladder worden toegepast op werven vanaf een geschatte waarde van 600.000 euro. Dat betekent dat de brede categorie van middelgrote wegenwerken, rioleringsprojecten en nutsgebouwen onder het toepassingsgebied valt. Bovendien voorziet de Waalse overheid ook een duidelijke transitieperiode. Aannemers krijgen de tijd om zich voor te bereiden, maar weten met 100% zekerheid dat de eis er onherroepelijk aankomt. Die voorspelbaarheid geeft kmo’s het nodige investeringsvertrouwen. Een bouwonderneming die weet dat vanaf de voorziene streefdatum elke overheidsopdracht boven de 600.000 euro met een fictieve korting wordt gegund, twijfelt geen seconde meer om het certificeringstraject aan te vatten.”
Concurrentievoordeel heft zichzelf op
“Er zijn ondernemingen die aarzelen om in duurzaamheid te investeren omdat ze vrezen dat het concurrentievoordeel zal wegvallen zodra elke bouwonderneming na verloop van tijd trede 1, 2 of 3 op de ladder zal halen. Dan zal immers iedereen aanspraak kunnen maken op dezelfde fictieve prijskorting. Dat argument komt echter neer op kritiek op de maatschappelijke keuze voor duurzaamheid. Het concurrentievoordeel via de CO2-prestatieladder was immers nooit het einddoel op zich; het was een vliegwiel, een economische wortel om de sector in beweging te krijgen. Bedrijven worden getriggerd om te innoveren. Fabrikanten van bouwmaterialen worden uitgedaagd om CO2-arme alternatieven te ontwikkelen. Leveranciers van werfmaterieel worden gepusht om elektrificatie te versnellen. En de aannemer die investeert in zijn mensen en machines weet dat zijn inspanningen fair worden gewaardeerd aan de onderhandelingstafel. Het ultieme doel is dat CO2-reductie een vanzelfsprekende basiseis wordt, net zo vanzelfsprekend als de technische kwaliteit van het beton of de veiligheid op de werf.”
Een essentieel kenmerk van de CO2-Prestatieladder is dat het behalen van een certificaat geen momentopname is. Je hangt de oorkonde niet eenmalig aan de muur in de inkomhal om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag.
“Het certificatiesysteem eist een continu proces van sturen, meten en bijsturen. Elk jaar opnieuw komt een geaccrediteerde, onafhankelijke certificerende instelling over de vloer voor een diepgaande audit. Kan het bouwbedrijf tijdens die controle niet zwart-op-wit aantonen dat het actieplan daadwerkelijk wordt uitgevoerd en dat de CO2-uitstoot daalt volgens de vooropgestelde reductiecurven, dan verliest het bedrijf zijn certificaat, en daarmee ook de fictieve korting bij toekomstige overheidsopdrachten.”
Het handboek van de CO2-Prestatieladder vormt een strikt en integraal CO2-managementsysteem. Het zorgt ervoor dat iedereen dezelfde taal spreekt en het spel eerlijk verloopt. Het stoelt op vier vaste, onlosmakelijk met elkaar verbonden pijlers: inzicht, reductie, transparantie en participatie.
Inzicht
“Een onderneming die naar het certificaat dingt, moet de CO2-uitstoot nauwkeurig in kaart brengen volgens internationale standaarden zoals het GHG-protocol. Dat begint bij de directe emissies van het eigen wagenpark, het vrachtverkeer en de brandstofgeneratoren op de werf (Scope 1) en de indirecte emissies van aangekochte elektriciteit en warmte (Scope 2). Op de hoogste treden van de ladder wordt daar ook de volledige keten-impact (Scope 3) aan toegevoegd, zoals de ingebedde CO2 in ingekochte bouwmaterialen (beton, staal, asfalt) en de mobiliteit van onderaannemers.”
Reductie
“Louter weten hoeveel ton CO2 je uitstoot is echter niet genoeg; een bedrijf moet kwantificeerbare reductiedoelstellingen formuleren voor de korte en lange termijn, ondersteund door een concreet actieplan. Denk aan het uitfaseren van dieselmotoren ten gunste van elektrisch werfmaterieel, het overschakelen op biobrandstoffen, de inzet van slimme batterijcontainers op werven of de keuze voor CO2-arm beton.”
Transparantie en participatie
“Transparantie en participatie moeten het systeem boven de eigen bedrijfsgrenzen uittillen. Ondernemingen moeten intern en extern openlijk communiceren over hun CO2-footprint en de voortgang van hun actieplannen. Bovendien zijn ze verplicht om actief deel te nemen aan sectorale initiatieven, kennis te delen met sectorgenoten en samen te werken met ketenpartners, kennisinstellingen of materiaalleveranciers om de gehele bouwsector naar een hoger niveau te tillen en innovatie in de keten te versnellen.”
Kennis intern borgen
Met de introductie van het vernieuwde Handboek 4.0 van de CO2-Prestatieladder is het systeem toegankelijker en overzichtelijker geworden. Waar er vroeger vijf niveaus waren, is het handboek gestroomlijnd naar drie hoofdtreden, waarbij trede 1 focust op de eigen organisatie (Scope 1 en 2), trede 2 op de eigen keten en projecten, en trede 3 op de brede sectorale innovatie en verstrekkende Scope 3-impact.
“Toch blijft het traject voor een middelgrote kmo een uitdagende klus”, aldus Asselman. “Het Handboek van de CO2-Prestatieladder stelt immers één ononderhandelbare voorwaarde: de kennis en het CO2-management moeten verankerd zijn in het bedrijf zelf. Je kunt het opstellen van een CO2-footprint en het reductieplan niet simpelweg uitbesteden aan een extern adviesbureau dat een eenmalig rapport oplevert en weer vertrekt. De auditoren vragen bij hun controlegesprekken niet alleen naar cijfers aan de duurzaamheidsmanager, maar praten ook met de werfleiders en de directie. Het bedrijf moet de duurzaamheidsfilosofie echt onder het vel hebben.”
Administratieve kost
“Met het systeem komt vooral ook een administratieve kost. Voor een audit moet je immers alles kunnen verantwoorden. De kosten die daarmee gepaard gaan spelen vooral in de eerste jaren. Na verloop van tijd maakt het gewoon deel uit van de processen van het bedrijf. Het komt er vooral op aan om het CO2-beheer vlot te integreren in het dagelijkse leven van het bedrijf en het onderwerp niet ongemoeid te laten tot op het moment van de jaarlijkse audit. Zodra het bedrijf een sterk systeem opzet en dat correct implementeert, daalt de werklast sterk. Daar willen we bij Tapio aan tegemoetkomen met een innovatief ondersteuningsmodel. We combineren daarvoor geavanceerde software met gerichte begeleiding. Via het 'Understand, Act, Engage -principe verzamelen we de noodzakelijke data over brandstofverbruik, elektriciteit en materiaalstromen en worden die automatisch omgezet in een kant-en-klare carbon inventory volgens de regels van het handboek. Uiteindelijk is het de bedoeling dat we bedrijven leren om hun CO2-beheer zelfstandig uit te voeren.”