Do's en don’ts bij houten gevelbekledingen
In deze special gaan we op zoek naar hoe je tewerk gaat bij gevelafwerking. We richten onze focus op het wellicht meest voor de hand liggende materiaal dat al eeuwenlang zijn diensten heeft bewezen: hout.
Hebben we het over afwerken, dan kunnen we de vraag misschien beter eerst omdraaien. Is een behandeling van het hout überhaupt nodig? Ook al worden houten gevels, zeker in ons land, genadeloos blootgesteld aan steeds wisselende weersomstandigheden, dan nog kun je alleen maar vaststellen dat een (chemische) afwerking niet altijd hoeft. Toch als er aan diverse criteria wordt voldaan.
Het allerbelangrijkste is daarbij te weten dat er een aantal hardhoutsoorten bestaan die beschikken over een natuurlijke duurzaamheid en een natuurlijke weerstand tegen vocht, insecten en schimmels. Deze hardhoutsoorten, die ondergebracht worden in duurzaamheidsklasse 1, zijn bestand tegen het Belgische klimaat, met zijn gematigde, maar relatief vochtige omstandigheden met wisselende temperaturen en UV-belasting. Ze hebben een langere levensduur en vereisen ook dikwijls minder frequent onderhoud. Wat aanvullend wordt aanbevolen bij niet afwerken, is dat het ontwerp van een volume rekening houdt met een ventilerende, dampopen gevelopbouw zonder waterinsluiting.
Behandelen niet altijd nodig
Het zal niet verbazen dat je dan in de eerste plaats uitkomt bij tropische houtsoorten, waarbij de vraag naar duurzaamheid eerder om de afkomst en kap van het hout draait, dan om de intrinsieke kwaliteiten van de grondstof zelf. Denk daarbij aan soorten als iroko, een Afrikaans hardhout met een goede weersbestendigheid en een aantrekkelijke kleur, of het zeer duurzame en sterke afzelia, het alom gekende meranti dat het buitenshuis uitstekend doet, het esthetisch aantrekkelijke padouk of de fraaie kleurtonen van afrormosia. Een ‘buitenbeentje’ in deze reeks van onbehandeld bruikbare soorten is Western Red Cedar, in het Nederlands bekend als de ‘reuzenlevensboom’. Dit is een zeer duurzame, lichtgewicht, zachte naaldhoutsoort met een fijne nerf en weinig hars, uit Noord-Amerika, met een natuurlijke weerstand tegen schimmels, insecten en rot, waarbij wel rekening gehouden moet worden met mogelijk optredende deuken en krassen.
Onder bepaalde voorwaarden kunnen evenwel ook andere, zachte(re) houtsoorten, met een goede balans tussen kostprijs en prestaties, onbehandeld gebruikt worden. Dan kijken we, bijvoorbeeld, naar een aantal Europese houtsoorten met een redelijke duurzaamheid. Goede voorbeelden hier zijn Douglas (douglasspar: robuust, goed bestand tegen regen en temperatuurschommelingen), lariks (naaldhout met een hoge dichtheid en goede duurzaamheid) of uiteraard onze eigenste Europese eik (hard en duurzaam, zeer lange levensduur mogelijk). Opgelet: hier is het gebruik aangewezen bij minder intensieve blootstelling en kan een geïmpregneerde laag of een onderhoudslaag wenselijk zijn.
Verderop in het lijstje komen we uit bij een aantal zachtere Europese naaldhoutsoorten, die in een nat klimaat wel beter een bescherming of behandeling kunnen ondergaan om lang mee te gaan. Denk dan aan het minder prijzige vuren of sparrenhout.
Vergrijzing
Wanneer werk je dan wel af? Als vuistregel daarbij kun je stellen dat alle houtsoorten met een duurzaamheidsklasse 3 of slechter afgewerkt moeten worden. Is er een sterke zonbelasting of nabijheid van water (meer UV en vocht), dan is afwerken eveneens aangeraden.
Daarnaast is het van cruciaal belang te beseffen dat alle hout vergrijst, het gaat om meer dan louter mechanische weerstand. Elke soort hout die aan UV-licht wordt blootgesteld, verandert in meer of mindere mate van kleur, afhankelijk van de soort, de kwaliteit van het hout en de blootstelling. De architect en/of de opdrachtgever streven soms naar een al dan niet lichte vergrijzing van de structuur, maar hier moet ook rekening gehouden worden met de wens van de klant. Heel vaak gaat die op zoek naar stabiliteit in de oorspronkelijke kleur van het hout, wat betekent dat men een soort kiest op zijn kleur en deze kleur ook wil behouden. Wil je dit, dan is een afwerking nodig. Waarbij niet uit het oog mag worden verloren dat veel soorten die voor buitenbekleding worden gebruikt, niet duurzaam kunnen worden beglaasd (zoals lariks of douglasspar, tot zoals helemaal niet zoals bij red cedar).
Goed om weten, is dat sommige soorten, na een voorbehandeling in de fabriek - dus vóór de plaatsing – een goede uitwendige bestendigheid bieden. In dit geval hebben we het onder meer over vuren (na behandeling in een autoclaaf of een warmtebehandeling), Robinia (valse acacia) en bepaalde Europese hardhoutsoorten, zoals eik, es, kastanje of populier, na een warmtebehandeling. Hierbij merkt men op dat de oorspronkelijke tint van de houtsoorten na deze behandeling in meer of mindere mate wijzigt (zo gaat populier van wit naar ‘licht chocolade’ en krijgt eik een donkerbruine tint die dicht bij ipé aanleunt), wat ook een commercieel voordeel kan zijn, doordat het assortiment wordt gediversifieerd en het mogelijk wordt de waarde van plaatselijke soorten, die soms worden onderschat, te verhogen. Tenslotte kunnen ook grenen, lariks en Douglasspar thermisch worden behandeld, met aanzienlijke technische voordelen. In het kaderstukken gaan we dieper in op dit zogenaamde gemodificeerd hout.
Afwerkingsproducten en -methoden
Over naar de afwerking van houten gevelbekleding. Deze afwerking heeft twee hoofddoelen: bescherming tegen weersinvloeden, UV en vervuiling en de esthetische beïnvloeding van kleur of glans.
Afwerkingen vallen uiteen in niet-filmvormende afwerkingen, filmvormende afwerkingen en biologische of esthetische afwerkingen. Niet-filmvormende afwerkingen zijn het meest aanbevolen voor gevelhout omdat ze dampopen blijven en spanningsproblemen voorkomen. Hieronder vallen aan de ene kant transparante en semi-transparante houtoliën en aan de andere beitsen. De eerste dringen diep in het hout door, bieden waterafstotendheid en UV-filtering, met behoud van de natuurlijke nerf en structuur. De pigmenten van beitsen, die tegelijkertijd de houtnerf zichtbaar houden, bieden extra UV-bescherming en kleur aan, terwijl het hout kan blijven ‘ademen’. Aanbevolen hierbij is een periodieke herhaling van de afwerking, afhankelijk van de blootstelling (bijvoorbeeld om de 1–3 jaar).
Met filmvormende afwerkingen wordt via het gebruik van lak of dikke saturerende coatings een ‘film’ aangebracht op het oppervlak. Het risico hierbij is dat er bij thermische bewegingen (krimp/zwelling) bladderen of scheuren kan optreden. Dit maakt dat dergelijke afwerkingen niet de eerste keuze zijn bij massieve gevelbekleding, tenzij het ontwerp specifieke eisen stelt.
Biologische of esthetische afwerkingen omvatten pigmenthoudende oliën of beitsen voor kleurbehoud. In dit verband kunnen we ook wijzen op Shou Sugi Ban, of de techniek van het ‘gebrande hout’. Hierbij wordt een gecontroleerde oppervlaktelaag aangebracht die extra duurzaamheid en karakter geeft, al moet je dit eerder zien als een oppervlaktetechniek dan een coating.
Onderhoudsproducten en -frequentie
Onderhoud valt strikt genomen niet onder afwerking, maar toch staan we er even bij stil omdat opvolging na de plaatsing beter aangeraden wordt. Allereerst wijzen we hier op het bestaan van speciale reinigingsproducten, die oppervlakteverontreinigingen, schimmels, algen en andere ongewenste ophopingen verwijderen. Ze worden meestal verdund met water en aangebracht met een borstel of een spuitapparaat. Na het reinigen moet de gevelbekleding grondig worden afgespoeld met schoon water.
Om de natuurlijke uitstraling van het hout te behouden, kan er ook teruggegrepen worden naar onderhoudsolie. Deze vernieuwt ook de beschermende eigenschappen en je kunt ze het beste op regelmatige tijdstippen opnieuw aanbrengen. Ook hier niet te vergeten is dat de gevelbekleding grondig moet worden gereinigd voor de olie wordt aangebracht, zodat deze goed kan doordringen in het hout.
Toepassingsmethodes
Welke toepassingsmethode kun je het beste kiezen voor afwerkings- en onderhoudsproducten? Dit hangt af van verschillende factoren, zoals de grootte van het project, de gewenste afwerking en de specifieke productinstructies. We lijsten enkele richtlijnen op.
Kiezen voor een kwast gebeurt als je een veelzijdig aanbrengingsmiddel nodig hebt. Kwasten zijn vooral handig bij het aanbrengen van producten op kleine oppervlakken en bij het werken rondom details zoals randen en hoeken. Rollen zijn dan weer meer aangewezen voor het werken op grotere oppervlakken, zoals volledige gevelbekleding. Ze bieden een snelle en efficiënte applicatie. Belangrijk is wel een keuze voor een roller met de juiste dikte voor het type product dat wordt gebruikt. Er moet ook zorg voor gedragen worden dat er gelijkmatig en met consistente druk wordt gerold.
De keuze voor spuiten is aanbevolen voor als producten zo gelijkmatig mogelijk moeten worden aangebracht. Spuitapparatuur kan handmatig of met behulp van een spuitmachine worden gebruikt, waarbij speciale aandacht moet gaan naar de keuze van juiste spuitmond en het opvolgen van de veiligheidsrichtlijnen bij het gebruik van spuitapparatuur.
Jan Hoffman
Je hoort meer en meer praten over gemodificeerd hout, wat onder meer bij de gevelbekleding al jaren aan een opmars bezig is. Maar wat is dit nu eigenlijk? En hoe verhoudt dit gemodificeerd hout zich tot de afwerkingsaanbevelingen?
Als een soort ‘definitie’ kun je gemodificeerd hout zien als hout waarvan de celstructuur doelbewust is veranderd om de materiaaleigenschappen te verbeteren. Dit gebeurt zonder het hout te coaten of te lamineren, maar door het inwendig te ‘modificeren’. De belangrijkste verbeteringen die ontstaan, zijn een verhoogde duurzaamheid (weerstand tegen schimmels en insecten), een verbeterde dimensionale stabiliteit (minder krimp en zwelling), een langere levensduur (vooral bij buitentoepassingen) en vaak een lagere onderhoudsbehoefte dan bij onbehandeld hout. Modificatie maakt het mogelijk om relatief snelgroeiende houtsoorten (zoals vuren of grenen) in te zetten voor toepassingen waar traditioneel hardhout werd gebruikt.
Thermisch gemodificeerd hout
Wat wellicht het meeste een belletje zal doen rinkelen, is als men het heeft over thermisch gemodificeerd hout. Hierbij wordt het hout verhit tot circa 160–220 °C in een zuurstofarme omgeving. Het doel: de afbraak van hemicellulosen, de suikerpolymeren in de houtcelwand die tijdens de warmtebehandeling worden afgebroken.
De voordelen van deze behandeling moet je vooral zoeken in een sterk verbeterde dimensionale stabiliteit en een verhoogde biologische duurzaamheid. Dit gebeurt bovendien zonder chemische toevoegingen en leidt tot een warme, donkere kleur (hardhoutachtig uiterlijk). Omdat elk voordeel zijn nadeel heeft, moet je hier rekening houden met een verminderde mechanische sterkte, een zekere UV-gevoeligheid en minder geschiktheid voor dragende toepassingen.
Biobased (chemisch) gemodificeerd hout
Een tweede methode is die van het biobased (chemisch) gemodificeerd hout. Bij deze ingreep stimuleert men de chemische modificatie van hydroxylgroepen in het hout (bijvoorbeeld door acetylatie) met biobased reagentia, waardoor vochtopname structureel wordt beperkt.
De grootste voordelen van deze methode zijn de zeer hoge duurzaamheid die ontstaat (klasse 1), de creatie van een uitzonderlijke vormstabiliteit en een forse verhoging van de levensduur van het hout (tot zelfs meer dan 50 jaar), terwijl de mechanische sterkte grotendeels behouden blijft.
Als nadelen zijn er onder meer een hogere kostprijs en het feit dat dit gaat om een industrieel proces dat moeilijk lokaal toepasbaar is. Je moet er ook rekening mee houden dat het eindresultaat esthetisch vergelijkbaar is met onbehandeld hout, wat betekent dat de kleur vaak gestuurd moet worden met afwerking.
Oliegebaseerd gemodificeerd hout
Wat zeker ook vermeld moet worden, is de creatie van gemodificeerd hout op basis van een oliegebaseerd proces. Hierbij wordt het hout onder druk geïmpregneerd met (vaak plantaardige) oliën of harsachtige oliemengsels die de poriën vullen.
De meest gunstige gevolgen zijn een goede waterafstotendheid, een verbeterde duurzaamheid ten opzichte van onbehandeld hout, een relatief lage milieu-impact bij het gebruik van biogene oliën en een warm uiterlijk.
Houd hier daarnaast rekening met mindere dimensionale stabiliteit dan bij thermisch of chemisch gemodificeerd hout en de kans op olie-uittreding onder warme omstandigheden. Ook is regelmatig nabehandelen nodig en is de duurzaamheid afhankelijk van de olieformulering en penetratiediepte.
Samenvattend kun je stellen dat een keuze voor gemodificeerd hout zeker de moeite waard kan zijn. Het is immers uitgegroeid tot een hoogwaardig, duurzaam en architectonisch aantrekkelijk alternatief voor traditioneel gevelhout.