Als abonnee heb je toegang tot alle artikels op BOUWKRONIEK.be

Regelgeving

De hervorming gaat voort: Boek 7 BW is onderweg

Overheidsopdrachten zijn en blijven “gewone” overeenkomsten: partijen stemmen hun wil af en daaruit ontstaan afdwingbare rechten en plichten. Het feit dat de wetgever voor overheidsopdrachten een afzonderlijk en uitgebreid regelgevend kader heeft uitgewerkt, mag niet doen vergeten dat ook de algemene principes en het gemeen verbintenissenrecht van toepassing blijven. Wie met overheidsopdrachten bezig is, doet er dus goed aan de lopende hervorming van het Burgerlijk Wetboek (BW) op de voet te volgen (zie ook art. 1.1. BW).

Boek 7BW juridisch
Adobe Stock

Het voorbije jaar ging veel aandacht naar de herwerking van Boek 6 BW (dat op 1 januari 2026 in werking trad) en de afschaffing van de (quasi-)immuniteit van hulppersonen.

Waar onderaannemers en personeelsleden in het verleden in de regel noch contractueel noch buitencontractueel (tenzij onder zeer strikte voorwaarden) konden worden aangesproken door de hoofdschuldeiser (maar enkel door de hoofdschuldenaar/hun opdrachtgever), is de positie van die hoofdschuldeiser (de opdrachtgever) intussen versterkt. Artikel 6.3, §2 BW bepaalt nu dat de regels inzake buitencontractuele aansprakelijkheid in principe ook gelden in de relatie tussen de benadeelde en de hulppersoon van zijn medecontractant. Wordt de hulppersoon rechtstreeks buitencontractueel aangesproken, dan kan hij zich wel beroepen op de excepties en bedingen uit de relatie tussen hoofdschuldeiser en hoofdschuldenaar, én op de excepties uit zijn eigen contract met de hoofdschuldenaar. Aannemers – maar ook aankopers en leidend ambtenaren – zijn het afgelopen jaar uitvoerig gewezen op de impact van deze wijziging. 

De hervormingstrein is nog niet gestopt. 

Op 20 februari 2025 werd een wetsvoorstel ingediend om Boek 7 (“Bijzondere contracten”) in te voegen in het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Na het advies van de Raad van State en de verdere besprekingen in de Kamercommissie wordt verwacht dat de tekst in het voorjaar ter stemming zal worden voorgelegd.

Met Boek 7 wil de wetgever een aantal specifieke regels uit het oude Burgerlijk Wetboek (oud BW) moderniseren, onder meer voor koop, huur, aanneming (huur van werk), lastgeving, bewaargeving en dading. De regeling over vervangbare goederen en borgtocht wordt in een afzonderlijk wetsvoorstel behandeld, dat aan andere commissies is toegewezen. 

In wat volgt zoomen we in op de onderdelen die in de praktijk het meest zullen doorwerken in de praktijk van de overheidsopdrachten. 

1/ De dading

De dading is een bijzonder contract “met betrekking tot een geschil”. Veel gemeenrechtelijke regels blijven dus gelden, maar het wetsvoorstel behoudt toch een aantal specifieke bepalingen voor dit contract.

Volgens artikel 7.7.9 van het wetsvoorstel is een dading “een contract waarbij de partijen, door wederzijdse toegevingen, een geschil beëindigen of vermijden.” Daarmee wijkt de definitie duidelijk af van artikel 2044 oud BW, dat de dading enkel omschrijft als een schriftelijk contract waarmee partijen een gerezen of toekomstig geschil beëindigen of voorkomen.

De voorwaarde van wederzijdse toegevingen – altijd al essentieel in de rechtspraak – wordt nu expliciet in de wettelijke definitie opgenomen, wat te verwelkomen is. Tegelijk willen de auteurs van het wetsvoorstel niet breken met de bestaande leer: de toegevingen hoeven niet in de tekst van de dading te staan, ze moeten niet gelijkwaardig zijn in (geldelijke) waarde en ze veronderstellen geen actieve prestatie; ook het zich onthouden van een handeling kan een toegeving zijn. 

In geschillen over de plaatsing en uitvoering van overheidsopdrachten is de dading een cruciaal instrument. Om niet vast te lopen in lange en kostelijke procedures kan het aangewezen zijn een dading te sluiten – ook voor overheden. Het nieuwe artikel 7.7.11 zou dit uitdrukkelijk bevestigen.

Vandaag wordt al algemeen aanvaard dat publiekrechtelijke rechtspersonen dadingen kunnen sluiten, maar de wettelijke basis is flinterdun: artikel 2045, vierde lid, oud BW verwijst naar een machtiging voor gemeenten en openbare instellingen op grond van een inmiddels opgeheven bepaling. Dat het recht om te “transigeren” nu helder wordt verankerd, is dus een stap vooruit, al was die eerste stap al eerder gezet met artikel 1.1 BW. Uiteraard blijft de beslissing om een dading te sluiten onderworpen aan administratief toezicht.

Het bewijs van de dading wordt voortaan exclusief geregeld door Boek 8 BW dat het gemene bewijsrecht regelt. In de regel is een geschrift enkel vereist voor een dading tussen nietondernemingen met een waarde van minstens 3.500 euro. Dat wijkt af van artikel 2044, tweede lid, oud BW, dat een schriftelijke vorm altijd verplicht stelde, ook onder die drempel. Hoewel de drempel van 3.500 euro in de context van overheidsopdrachten niet bijzonder hoog lijkt, is dit verschil niet onbelangrijk.

Het privaat contractenrecht, d.i. het verbintenissenrecht (Boek 5 BW) en het bijzonder contractenrecht, (toekomstig Boek 7 BW), moet eveneens rekening houden met een aantal bijzondere publiekrechtelijke spelregels. Zo kunnen die bijzondere publiekrechtelijke regels expliciet of impliciet een geschrift vereisen, ook onder de drempel van 3.500 euro. Zo stelt artikel 41 van het Decreet Lokaal Bestuur dat enkel de gemeenteraad dadingen kan aangaan (tenzij met eigen personeelsleden voor wat betreft de beëindiging van het dienstverband). Het nemen van een besluit impliceert natuurlijk wel het bestaan van een document (en dus een geschrift in de zin van art. 8.1, 1° BW), waarover de gemeenteraadsleden zich kunnen buigen. 

2/ Onderaannemers en rechtstreekse vordering

Wie een bestek voor werken opstelt, weet dat artikel 12, §4 KB Uitvoering vereist dat daarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het rechtstreekse vorderingsrecht van de onderaannemer uit artikel 1798 oud Burgerlijk Wetboek. De kans is reëel dat dit rechtstreekse vorderingsrecht binnenkort in alle bestekken zal moeten worden vermeld, en niet langer enkel bij werken.

Artikel 1798 oud BW spreekt nog over “metselaars, timmerlieden, arbeiders en vaklui”. Het wetsvoorstel voor Boek 7 stelt in het nieuwe artikel 7.4.31. een veel ruimere en neutralere formulering voor. De auteurs van het wetsvoorstel zien geen enkele reden om het rechtstreekse vorderingsrecht te beperken tot werknemers of onderaannemers in de bouwsector. Daarom wordt expliciet bepaald dat de hulppersoon – werknemer of zelfstandige onderaannemer – een rechtstreekse vordering tegen de opdrachtgever heeft voor alle dienstencontracten, wanneer de opdrachtnemer hem de contractueel verschuldigde bedragen niet betaalt

Bij een keten van hulppersonen, zoals vaak het geval is bij de uitvoering van werken, kan elke hulppersoon de rechtstreekse vordering uitoefenen tegen de opdrachtgever van zijn eigen contractspartij. 

3/ Het dienstencontract 

Een ander belangrijk luik van het wetsvoorstel betreft het dienstencontract. Dat wordt gedefinieerd als “het contract waarbij de opdrachtnemer zich ten aanzien van de opdrachtgever verbindt om een materiële of intellectuele opdracht te verrichten, zonder dat de opdrachtnemer zich ten aanzien van de opdrachtgever in een ondergeschikt verband bevindt” (art. 7.4.1). Het dienstencontract kan zowel onder bezwarende titel als ten kosteloze titel worden gesloten; wanneer de opdrachtnemer een onderneming is, wordt vermoed dat het onder bezwarende titel is gesloten

Waar het oude Burgerlijk Wetboek slechts een versnipperde regeling bevatte (onder meer de artikelen 1789 tot 1799 oud BW over bestekken en aanneming), werkt het wetsvoorstel nu een gemeenschappelijk regime uit voor alle dienstencontracten, met 33 bepalingen die als gemeen recht voor dit type contracten gelden. Daarbij worden ook lastgeving en bewaargeving uitdrukkelijk als bijzondere vormen van het dienstencontract ondergebracht.

Het voorstel benoemt expliciet een reeks kernverbintenissen van de opdrachtnemer. Elk dienstencontract houdt in dat de opdrachtnemer zich ertoe verbindt om:

  • de opdracht uit te voeren en conform het contract te leveren, en desgevallend de goederen te bewaren die de opdrachtgever hem in dat kader toevertrouwt;
  • de eigendom van een goed over te dragen wanneer dit uit de aard of de strekking van het dienstencontract voortvloeit;
  • in te staan voor uitwinning door zijn eigen daad en door daden van derden die hem toerekenbaar zijn;
  • de opdrachtgever informatie te verschaffen over de uitvoering van de opdracht en hem bij de levering van de opdracht de goederen terug te geven die hij in dat kader heeft ontvangen;
  • samen te werken met andere opdrachtnemers die voor dezelfde opdracht zijn aangesteld.

Daarnaast wordt een zelfstandige veiligheidsverbintenis van de opdrachtnemer ingevoerd: hij moet de veiligheidsmaatregelen nemen die de wet, de goede trouw en de gebruiken vereisen. Deze verplichtingen worden uitdrukkelijk als volwaardige verbintenissen naast de hoofdverbintenis tot conforme uitvoering geplaatst.

Voor dienstencontracten in de context van overheidsopdrachten kan dit nieuwe gemeenrechtelijke kader een aanzienlijke aanvullende rol spelen. Het KB Uitvoering bevat voor opdrachten voor diensten slechts een beperkt aantal specifieke bepalingen (artikelen 145 tot 160), zodat de nieuwe regels van Boek 7 in de praktijk vaak het “achtervangrecht” zullen vormen. 

Het is dan ook uitkijken naar de verdere parlementaire behandeling van het wetsvoorstel. Zodra de tekst definitief vorm krijgt, zullen de gevolgen voor de praktijk van overheidsopdrachten duidelijker worden. 


Yannick Ottoy & Nicolas Van Damme

Nieuwsbrief

Wens je op de hoogte te blijven van inzichten, projecten, trends en evoluties in de bouwsector? Schrijf je nu in blijf up-to-date!

Bouwprojecten