Als abonnee heb je toegang tot alle artikels op BOUWKRONIEK.be

Vakbeurzen en evenementen

Architect Sarah Flebus is de 
bouwvrouw van 2025

Op de Belgian Construction Awards werd ingenieur-architect Sarah Flebus, medeoprichter van het Muizense bureau Hasa Architecten, verkozen tot ‘Bouwvrouw van 2025’. Een mooie erkenning voor een carrière die al 32 jaar in het teken staat van sociaal engagement, architecturale kwaliteit en een nuchtere kijk op de bouwpraktijk. “Deze award is niet alleen fijn en motiverend voor mij persoonlijk, het is ook een mooie erkenning voor de inzet van mijn vennoot Bart en de medewerkers van ons bureau”.

Bouwvrouw 1

Waar staat Hasa Architecten vandaag voor?

“Bart en ik hebben momenteel veertien medewerkers. We zijn door de jaren heen geëvolueerd naar een bureau dat veel publieke opdrachten doet, vooral in de zorg en de scholenbouw. Dat is organisch gegroeid nadat we als jong bureau snel een aantal Open Oproepen voor scholenbouw konden winnen en haalbaarheidsstudies en projecten mochten doen voor KU Leuven. Bij het eerste cluster DBFM ‘Scholen van Morgen’ realiseerden we vijf scholen voor de Broeders van Liefde. In het tweede werken we samen met het consortium Aurora aan drie scholen voor GO! En ook aan de derde golf van scholenbouw mogen we ons steentje bijdragen. We wonnen immers recent, samen met dbv architecten, de architectuurwedstrijd voor een nieuwbouw voor bijzonder onderwijs, binnen de cluster Scholen van Vlaanderen.” 

“De jongste jaren hebben we het residentiële wonen op het niveau van de particuliere woning wat achter ons gelaten. Niet omdat het ons niet interesseert. Het heeft vooral te maken met onze manier van werken, waardoor kleinschalige opdrachten gewoonweg moeilijker haalbaar zijn. Wij maken er een punt van dat we heel detaillistisch werken en een project graag van A tot Z begeleiden. Voor een particuliere woning is die intensieve werkwijze op de schaal van ons bureau economisch helaas niet meer rendabel. Dus, tenzij er iets heel interessants op ons pad komt, blijven we daar nu van weg.”

Wat is “interessant genoeg”?

“Het moet passen binnen onze visie op architectuur: duurzaam, hedendaags en sterk ingebed in de omgeving. En het moet financieel en organisatorisch te verantwoorden zijn. Zo zijn we vandaag bijvoorbeeld bezig met de totaalrenovatie van een grote hoeve die een tweede leven krijgt. Dat soort grootschaligere woonprojecten vinden we een boeiende uitdaging. Denk ook aan projecten in opdracht van ontwikkelaars zoals ons project rond co-wonen voor senioren, of sociale huisvestingmaatschappijen. Zolang het een zekere schaalgrootte heeft en een maatschappelijke relevantie, vinden we het boeiend.”

Is projectgrootte ook de reden waarom jullie zwaartepunt in de scholenbouw en zorgvoorziening ligt?

“We werken graag aan projecten voor mensen die het wat moeilijker hebben of die specifieke noden hebben. Dat kan gaan over onderwijs of wonen voor mensen met een beperking, ouderen in woonzorgcentra, patiënten in een dagziekenhuis - zoals nu in een project voor Imelda Bonheiden, dat we samen met SVR architects uitvoeren - of voor jongeren in de bijzondere jeugdzorg. Het boeiende daaraan zijn de extra lagen die je als architect moet vertalen. Dat kan niet zonder je sterk in te leven, in dialoog te gaan, goed te luisteren naar de bouwheer en de gebruikers, en hen de juiste vragen stellen. Iemand met een mentale of fysieke beperking ervaart een ruimte anders en elke beperking heeft zijn eigenheid. Je moet nadenken over prikkels: welke wil je wel, welke wil je absoluut uitsluiten? Akoestiek is bijvoorbeeld altijd een cruciaal aandachtspunt. Maar ook comfort in al zijn facetten. Kleinschaligheid en huiselijkheid zijn daarbij essentieel.”

“Een sprekend voorbeeld is ons project voor de jeugdgevangenis in Mol. Daar komen jongeren terecht met een serieuze rugzak. De uitdaging was om een plek te maken die geen kille cel is, maar een ruimte waar ze tot rust kunnen komen en handvatten krijgen om terug te kunnen keren in de maatschappij. Tegelijkertijd moet je rekening houden met draconische veiligheidseisen: alles moet suïcide-proof zijn, de jongeren mogen zich nergens aan kunnen kwetsen, niets kunnen verstoppen. Binnen die strakke randvoorwaarden toch een huiselijk gevoel en een veilige omgeving voor zowel bewoners als personeel creëren, is een puzzel die wij graag leggen. Als je daar als architect een antwoord op kunt bieden dat zowel functioneel en veilig is als menselijk en warm, dan geeft dat veel voldoening.”

Hoe kom je te weten wat die specifieke doelgroepen nodig hebben? Leer je tijdens de opleiding hoe je behoeften moet capteren?

“In de opleiding architectuur is er geen vak dat je leert hoe je met mensen met dementie of gedetineerde jongeren moet omgaan, nee (lacht), al wordt er de jongste jaren wel meer ingezet op maatschappelijk bewustzijn. Je bent dus genoodzaakt om je eigen aanpak te ontwikkelen. Voor ons is de dialoog met de gebruiker heilig. Wij gaan heel ver in het bevragen van iedereen die bij een project betrokken is. Voor de bouw van een woonzorgcentrum interviewen wij niet alleen de directie, maar ook de verpleging, de poetsvrouw, de klusjesman, de bewoners als dat mogelijk is. Je leert daar ontzettend veel uit. Wat zijn de behoeften en aandachtspunten voor de diverse gebruikers? Wat is ergonomisch werkbaar voor het personeel? Wat zijn de gebreken in het huidige gebouw? Die feedback nemen we mee in het ontwerp. Het gaat voor ons dus niet louter om een functionele vertaling van het programma van eisen, maar om een gepaste plek te creëren in functie van het welbevinden van de gebruikers.”

“Daarnaast zetten we sterk in op de beleving van een gebouw en haar omgeving, de relatie tussen binnen en buiten en op de leesbaarheid van een gebouw. Mensen moeten bijvoorbeeld intuïtief kunnen aanvoelen waar ze mogen komen en waar niet. Een gebouw moet een logische dynamiek hebben. Maar er moet ook poëzie in zitten. Als je op het einde van de rit hoort: Het is hier aangenaam werken of De leerlingen zijn hier rustiger, dan is onze missie geslaagd.”

“Dergelijke manier van inclusief ontwerpen neem ik ook mee in mijn rol als gastdocent aan KU Leuven. Ik begeleid studenten in ontwerpstudio’s en breng hen graag in contact met echte bouwheren en specifieke doelgroepen. Ik werk daarvoor ook samen met Research[x]Design, de onderzoeksgroep rond inclusief ontwerpen. Die samenwerking is niet alleen leerrijk voor de studenten, maar ook voor mij. De kruisbestuiving tussen praktijk en universiteit houdt me scherp.”

School voor bijzonder onderwijs GO! De Varens Brugge

Bouwvrouw-De-Varens-Brugge
Claar + dbv architecten

Wat is de grootste evolutie die je in je carrière hebt gezien?

“Dat is helaas de toegenomen complexiteit. De regelgeving, de vergunningen, de administratieve vinkjes die telkens weer gezet moeten worden ... al die omkaderende voorwaarden en eisen die systematisch en exponentieel zijn toegenomen. Daarnaast is de aandacht voor duurzaamheid en energetisch bouwen natuurlijk, en gelukkig maar, enorm toegenomen.”

Over duurzaamheid gesproken: hoe realistisch zijn de ambities van circulair en biobased bouwen binnen de budgetten van publieke opdrachten?

“Het is niet dat het al standaard is. Het blijft vechten. Hoewel we daar als bureau heel sterk op inzetten is de realiteit dat erop wordt bespaard zodra het kostenplaatje duidelijk wordt. Zeker binnen DBFM-opdrachten of in de scholenbouw waar de budgetruimte bijzonder miniem is. Er zijn zoveel functionele noden die ingevuld moeten worden, dat er helaas weinig marge overblijft voor innovatieve materialen die misschien net iets duurder zijn. Maar toch proberen we het. Zo doen we bij uitbreidingsprojecten steeds eerst uitvoerig onderzoek naar wat behouden kan blijven om bestaande ruimte zoveel mogelijk te benutten. Zo werken we momenteel aan twee schoolprojecten waar we de bestaande betonskeletten behouden en door een combinatie van renovatie en nieuwbouw een geheel creëren waar het nieuwe pedagogische project gerealiseerd kan worden. Voor de provincie Antwerpen hebben we een school (PTS Mechelen) gebouwd waar we tot in bouwfase de circulaire en duurzame aanpak hebben kunnen doortrekken, ondanks de prijsstijgingen van de materialen. En voor de sociale huisvestingsmaatschappij Kanvaz hebben we voor een project dat binnenkort in aanbesteding gaat een uitgebreid onderzoekstraject gedaan naar circulair en biobased bouwen. Het beperkt aantal projecten waar we echt biobased en circulair kunnen bouwen toont vooral aan dat het circulaire systeem nog niet matuur is. Zolang de kritische massa er niet is en de prijzen van die materialen niet zakken, of zolang de budgetten niet worden opgetrokken, blijft het een pragmatische oefening om te knabbelen aan de klassieke automatismen van bouwprojecten. Maar we zien het wel de goede kant opgaan.”

Een ander actueel dossier is de verloning van stagiairs en jonge architecten. Hoe kijk jij daarnaar?

“Dat is een heel dubbel verhaal. De Orde van Architecten oordeelde dat de lonen van stagiairs omhoog moeten. Ik begrijp dat volledig; jonge mensen moeten correct betaald worden. Maar als wij al onze zelfstandige medewerkers morgen een bediendecontract met bijhorend loon zouden moeten geven, moeten we ons bureau downsizen.”

“Het probleem begint bovenaan: wij worden als beroepsgroep in de klem gezet door opdrachtgevers. Neem je deel aan wedstrijden, dan moet je het vaak doen met een wedstrijdvergoeding van 5.000 euro of zelfs minder, terwijl je als bureau gemakkelijk 25.000 euro moet investeren. Voor een groot design-and-buildproject hebben we in het verleden in de wedstrijdfase zelfs ooit 65.000 euro geïnvesteerd. Als je dan uiteindelijk niet wint, is dat heel pijnlijk. Die wanverhouding maakt dat wij onze medewerkers niet kunnen betalen zoals in andere sectoren. Bijgevolg zie ik jonge, talentvolle architecten bij ons vertrekken voor een vaste baan bij de overheid of in andere sectoren, omdat ze daar meer zekerheid en meer loon krijgen. Dat is pijnlijk, maar ik begrijp het. Ik zou niets liever willen dan iedereen hier vast in dienst nemen, maar het systeem laat dat niet toe. De overheid, die vaak onze opdrachtgever is, heeft daar een grote verantwoordelijkheid in.”

Wat moet er concreet veranderen?

“De wedstrijdvergoedingen moeten omhoog of de eisen moeten omlaag. De wildgroei aan eisen is moordend. Al zijn we zelf ook schuldig. Architectenbureaus steken elkaar de loef af met prachtige 3D-beelden of maquettes om hun ontwerp er toch maar dat beetje exclusiever te laten uitzien dan dat van de concurrentie. Daarnaast is de administratieve willekeur bijzonder frustrerend. Bij elke wedstrijd moeten je referenties in een andere lay-out: drie pagina’s, dan weer één pagina, dan weer maximaal zoveel tekst ... Je besteedt uren aan het louter herformatteren van dezelfde portfolio. Waarom maakt de overheid daar geen standaard van? Dat zou zoveel efficiënter zijn. De ‘Wall of Shame’ van het NAV (het online platform, waar architecten onredelijke en oneerlijke overheidsopdrachten en -wedstrijden kunnen melden – red.) heeft bij bouwheren al wat ogen geopend, maar er is nog een lange weg te gaan.”

Heb je ooit getwijfeld om zelf ook eieren voor je geld te kiezen?

“Nee, eigenlijk niet. Natuurlijk zijn er momenten dat ik ’op vrijdagavond mijn laptop dichtklap en denk: ‘Dat wordt weer een weekend doorwerken’. En dan zakt de moed je na al die jaren wel eens in de schoenen maar ... Kijk, het is topsport, en de verantwoordelijkheid is groot, maar in the end is de conclusie nog altijd dat ik dit nog steeds enorm graag doe. Ik ben nog steeds dat meisje dat destijds naar school fietste en fantaseerde hoe ze de gebouwen die ze passeerde kon verbeteren. Dat besef zorgt voor de energie. Ik ben een perfectionist, ik hou graag de controle over het ontwerp en ik ga voluit voor de tevredenheid van de bouwheer. Bovendien hebben we een heel fijn team. Ook al heeft het overlijden in 2013 van de mede-oprichter van Hasa, Hans Verplancke, er bij mij persoonlijk behoorlijk ingehakt, zijn we doorheen de jaren professioneel en zakelijk gespaard gebleven van grote crises. Ons bureau is de afgelopen 25 jaar gestaag gegroeid. En dat kan alleen als de motor van dat alles de gedeelde passie voor de job is. Kunnen samenwerken met partners die, net als wij, creatief willen nadenken en verder kijken dan hun eigen specialisme, geeft me enorm veel voldoening. Bij DBFM-projecten staat die dynamiek soms onder druk omdat je wel eens gekoppeld wordt aan partners die door de aannemer worden gekozen, en dat is niet altijd een match made in heaven. Maar als het lukt om als één team een project in elkaar te puzzelen waar alles mooi samen komt, geeft dat vleugels. Ook uit de samenwerking met onze zeer uiteenlopende bouwheren, haal ik veel energie. Hun kennis en gedrevenheid stimuleert me enorm om op zoek te gaan naar de juiste vertaling van hun visie en hun noden, maar ook om die visie en noden vorm te geven in een boeiend architecturaal geheel.”

Tot slot, waar staat Hasa over tien jaar? Is er een masterplan?

“Er is zeker geen masterplan om te groeien naar een team van 30 of 40 man. Vandaag voelt de schaal heel juist aan. Ik wil voeling houden met de projecten; ontwerpen, in gesprek gaan met de bouwheer, de werf opgaan. Ik wil niet de manager worden die enkel nog handtekeningen zet en personeelszaken regelt.”

“Als bureau willen we vooral verder inzetten op kwalitatieve groei: nog meer investeren in expertise op vlak van duurzaamheid en circulariteit, en blijven samenwerken met boeiende partners. We hebben de laatste jaren veel kansen gekregen en zijn organisch gegroeid naar grotere projecten. Die lijn willen we doortrekken, maar altijd met behoud van onze persoonlijke aanpak en kwaliteit. Zolang ik dat kan blijven doen, ben ik tevreden.” 

Het Hasa team met Sarah helemaal links.

Bouwvrouw hasa-team
Nieuwsbrief

Wens je op de hoogte te blijven van inzichten, projecten, trends en evoluties in de bouwsector? Schrijf je nu in blijf up-to-date!

Bouwprojecten