Wat brengt de toekomst voor de bouwsector? “We moeten meer samenwerken en industrialiseren”
Na het plotse overlijden van Christophe Maes lag de aanstelling van Karl Neyrinck als nieuwe voorzitter van Embuild voor de hand. Niet alleen is deze man erg goed op de hoogte van de lopende dossiers en ambities van de sectororganisatie. Als gedelegeerd bestuurder van EEG Group is hij ook iemand die de dagelijkse praktijk en uitdagingen van de bouw door en door kent. Bouwkroniek ging in gesprek met hem over de toekomst van de sector die hem zo dierbaar is. Logischerwijze loopt zijn visie parallel met deze van Embuild, maar als ervaringsdeskundige legt hij de vinger op de zere wonden waarmee veel aannemers worden geconfronteerd.
Bouwkroniek: Laat ons starten met de situatie vandaag. Wat ziet u als de grootste uitdaging van de sector?
Karl Neyrinck: “België heeft een sterk verouderd patrimonium dat dringend aan renovatie toe is. Ook vraagt de demografische ontwikkeling dat er in de komende jaren heel wat woningen bijkomen. Bouwen en renoveren moet bovendien betaalbaar blijven, wat in de huidige geopolitieke context alsmaar moeilijker wordt. De laatste jaren zijn de prijzen enorm gestegen en een kentering is niet meteen in zicht. Tegelijkertijd dienen we ons patrimonium te verduurzamen: niet alleen door te isoleren, maar ook door andere vormen van verwarming en koeling, ecologische materialen en circulaire concepten toe te passen. Er komt dus een tsunami van werk op ons af, maar we vragen ons massaal af hoe we deze projecten moeten realiseren. We hebben allemaal met een nijpend personeelstekort te kampen en er zijn niet direct perspectieven dat de instroom aan technische profielen zal toenemen, integendeel. Industrialisering en digitalisering is de enige uitweg, maar dat vereist investeringen die we niet kunnen dragen aangezien onze winstmarge momenteel amper 1 tot 5% bedraagt. De situatie is angstaanjagend: over pakweg tien jaar zullen we dubbel zoveel opdrachten moeten uitvoeren met half zoveel personeel. Enkel door het bouwproces te heruitvinden, zal de sector de maatschappelijke behoefte aan bouwen en renoveren kunnen invullen. De meeste aannemers beseffen dat het één voor twaalf is. De laatste jaren is de bouw met een revolutionaire heroriëntatie bezig waarbij innovatie op het voorplan staat. Alleen zijn we beperkt in onze mogelijkheden: financieel, maar ook omdat de andere schakels in de keten nog te krampachtig aan de traditionele manier van werken vasthouden.”
Bouwkroniek: Over welke schakels hebt u het dan precies?
Karl Neyrinck: “De huidige regelgeving vormt ongetwijfeld de grootste barrière voor een inherente transformatie van de sector. In veel gevallen is deze sterk gedateerd en niet meer op de huidige bouwpraktijk afgestemd. Daarnaast zijn er de laatste decennia veel wetten bijgekomen, waardoor het een labyrint is geworden met ontzettend veel en zelfs conflicterende regels. Het resultaat is dat bouwbedrijven ook juridische experts moeten worden en dus meer budget en tijd dienen te voorzien om ‘in regel’ te blijven. Deze situatie heeft er eveneens toe geleid dat er meer disputen voor de rechter komen… wat opnieuw tijd en geld kost. En werven lopen vertraging op of worden stilgelegd… weer met consequenties voor de aannemers.”
Bouwkroniek: Kan u een concreet voorbeeld geven?
Karl Neyrinck: “De huidige vergunningsprocedure weegt heel zwaar op de hele sector. De overheid streeft naar stedelijke verdichting, wat onder meer hoger bouwen of co-housing impliceert. Helaas is er heel wat regelgeving die dit bemoeilijken of zelfs onmogelijk maakt. Zo kan je op een verkaveling uit de jaren zeventig met losstaande eengezinswoningen nog steeds geen rijhuizen bouwen, laat staan een klein appartementencomplex. Ook is in de meeste bestaande industrieparken hoogbouw niet toegelaten. Daarbovenop komt nog dat mensen mondiger worden, waardoor steeds meer partijen hun veto stellen. Er moet aan zoveel regeltjes worden voldaan dat de vergunningsprocedure van grotere projecten jaren kan aanslepen. Probeer je in deze situatie als aannemer maar eens op dergelijke opdrachten voor te bereiden. Iedereen verliest, ook de investeerders voor wie het rendement te lang op zich laat wachten en uiteindelijk een gedateerde nieuwbouw krijgen. Denk maar aan ziekenhuizen: het proces van studie tot vergunning neemt gemakkelijk tien jaar in beslag. Op het moment dat het gebouw wordt opgeleverd, is het eigenlijk al verouderd. Kortom, iedereen zou winnen met een vereenvoudiging van de vergunningsprocedure. We moeten komen tot ‘je mag bouwen als je aan deze basisregels voldoet’ in plaats van ‘als je niet aan duizend regeltjes voldoet, mag je niet bouwen’. Minder complexiteit en meer positiviteit, dat is wat we nodig hebben.”
Bouwkroniek: Wellicht is er nog andere regelgeving die roet in het eten gooit?
Karl Neyrinck: “Laat ons stellen dat er nog heel veel optimalisaties mogelijk zijn. Ze allemaal opnoemen, zou ons te ver leiden. Wel wil ik nog een ander breekpunt voor onze sector aanhalen: de manier van aanbesteden. Alhoewel we niet enkel met de vinger naar de overheden moeten wijzen, want ook de privésector volgt eenzelfde patroon. Onze frustratie is vooral de aanpak waarbij zoveel mogelijk aannemers met elkaar in concurrentie dienen te gaan om de goedkoopste prijs voor te stellen. Niemand wint hierbij, ook de bouwheren niet, gewoonweg omdat er geen rekening met de ‘Total Cost of Ownership’ en de levensduur van het gebouw wordt gehouden. Het staat ook haaks op de EU-ambities om duurzamer te bouwen. De initiële investeringskost van geothermie of zelfs warmtepompen ligt bijvoorbeeld nog steeds aanzienlijk hoger dan traditionele verwarmingssystemen. Idem dito voor de toepassing van circulaire materialen en technieken. Of er worden keuzes gemaakt voor technieken die minder kwalitatief zijn en het verhoopte rendement niet opleveren of snel moeten worden vervangen. Het ergste vind ik echter dat deze aanpak inherent tot duurdere prijzen leidt. Als aannemer moeten we steeds meer werk in de dossiers/offertes steken én alsmaar meer risico’s incalculeren. Telkens we de opdracht niet binnenhalen, moeten we deze investering in de volgende offerte verrekenen. Een logisch gevolg, gezien onze lage winstmarge. Het is een vicieuze cirkel: aannemers die kwaliteit bieden, moeten een hogere prijs vragen en vallen daardoor uit de boot. Waardoor ze hun tarieven stelselmatig dienen te verhogen en nog minder kans maken om een opdracht binnen te halen.”
Bouwkroniek: Welke veranderingen zouden volgens u een groot verschil kunnen maken?
Karl Neyrinck: “Regelgeving veranderen, neemt tijd in beslag. We weten ook wel dat we op korte termijn geen wonderen mogen verwachten. Toch liggen er opportuniteiten voor het grijpen en daarvoor moeten we echt het warm water niet opnieuw uitvinden. Er zijn voorbeelden genoeg in het buitenland die we gewoon kunnen overnemen. Zelf ben ik een grote voorstander van ‘samenwerking’ op alle niveaus. Werken in bouwteam bijvoorbeeld, en dit voor alle types van projecten. Laat ons eerlijk zijn, bij particulieren gebeurt dit al sinds jaar en dag. Architecten stellen aannemers voor die ze al langer kennen en gaan met deze partijen op zoek naar de beste oplossing voor het beschikbare budget. Waarom die lijn niet constructief doortrekken naar de grotere renovaties en nieuwbouw? Sowieso is alles vandaag veel complexer geworden, door de regelgeving, door het ontstaan van nieuwe materialen, door de veelheid aan technieken. Samenwerken betekent expertise bundelen en brainstormen over de mogelijkheden om tot het meest optimale gebouw te komen, in termen van budget, kwaliteit, praktische realisatie en ‘Cost of Ownership’. Door alles op voorhand samen voor te bereiden, kunnen zowel het budget als de timing veel beter worden gerespecteerd. We vermijden immers problemen – en ‘creatieve’ oplossingen – op de werf. En het wordt voor ons, aannemers, gemakkelijker om onze resources in te plannen. We kunnen de processen optimaliseren om met minder menskracht en machines de klus te klaren. Wat meteen ook voor meer veiligheid op de werf zorgt omdat de efficiëntie toeneemt en de arbeiders elkaar niet in de weg lopen.”
Bouwkroniek: Wat houdt de sector tegen om massaal deze weg in te slaan?
Karl Neyrinck: “Het is een andere manier van werken die een grondige aanpassing van de processen vereist, en waarvoor alle betrokkenen moeten openstaan. Dus komen we terug op de noodzaak dat de hele keten zich reorganiseert en anders gaat denken. Zo merken we dat bouwheren het moeilijk hebben met de vraag om al in de conceptfase over verlichtingsarmaturen, betegeling, zonwering…, te beslissen. Laat staan dat ze willen nadenken over het onderhoud in de volgende 30 jaar. Iedereen is het zo gewoon dat dergelijke beslissingen pas later worden genomen. Zeker wat betreft de ‘Total Cost of Ownership’ is er nog een lange weg af te leggen. Daar reiken de barrières zelfs tot de financiering, want banken lenen nog steeds voor een ‘gebouw dat wordt opgeleverd’ in plaats van een ‘gebouw dat dertig jaar moet functioneren’. Met andere woorden: ze zijn niet altijd geneigd om de financiële middelen te voorzien voor oplossingen die op lange termijn renderend kunnen zijn, maar initieel een hogere investeringskost hebben. Daarnaast blijft ook de wetgeving een pijnpunt, vooral dan de totaal verouderde wet over het beroep van de architecten.”
Bouwkroniek: Kan u verduidelijken wat u hiermee bedoelt?
Karl Neyrinck: “In tegenstelling tot de meeste EU-lidstaten hebben de Belgische architecten een monopolie in bouwprojecten. Zij maken het ontwerp en hebben het unieke recht om de bouwvergunning in te dienen. Weliswaar dragen ze ook alle verantwoordelijkheid. En dit zijn twee punten waar het schoentje serieus begint te wringen. Omdat renoveren en bouwen alsmaar complexer wordt, hebben ze geen andere keuze dan zich maximaal in te dekken. Helaas zijn de aannemers daar de dupe van. Wij moeten immers zelf detecteren of er fouten in het bestek zitten of als iets technisch of financieel niet haalbaar is. Vanaf het moment dat we onze offerte indienen, draaien wij immers op voor de extra kosten om deze zaken op te lossen. Dit systeem zorgt opnieuw voor een tariefverhoging omdat we enerzijds veel werk in de controle van de bestekken dienen te steken, en we ons anderzijds voor eventuele problemen moeten indekken. Ik geloof dat het beter en anders kan. Door meer en in een vroeger stadium samen te werken, kunnen veel problemen worden voorkomen en zouden we ook de verantwoordelijkheden kunnen delen. Alleen stimuleert het huidige wetgevend kader deze manier van werken niet. We blijven hangen in een situatie waarbij de architect eerst het project uittekent en de vergunningen aanvraagt vooraleer er effectief naar aannemers wordt gezocht. Dit leidt geregeld tot ongezonde situaties waarbij tijdens de bouw blijkt dat bepaalde zaken te idealistisch werden voorgesteld in functie van het budget. Dan mogen wij het oplossen en zien we onze krappe winstmarge nog kleiner worden. Of de werf wordt stilgelegd en de bouwheer gaat op zoek naar een partij die bereid is om aan een erg lage prijs de nodige aanpassingen door te voeren. In dergelijke gevallen wordt trouwens meer en meer aan ‘cherry picking’ gedaan: bouwheer en architect vragen meerdere aannemers om advies, stelen hun ideeën en stellen dan een ‘lage prijs’-contractor aan om de oplossingen te implementeren. Het hoeft geen betoog dat dit tot frustratie leidt!”
Bouwkroniek: Is samenwerken de enige echte oplossing?
Karl Neyrinck: “Zeker niet. We moeten ook meer industrialisering doorvoeren. Daarmee bedoel ik niet uitsluitend inzetten op prefab en robotisering op de werf, wat weliswaar nodig is. Ook is er nood aan meer standaardisatie en – ik val in herhaling – andere processen. Laat ons de automobielsector als analogie gebruiken: vandaag produceren we om de zoveel maanden een totaal nieuw concept van wagen in plaats van een auto op maat met standaardcomponenten. Dit moet veranderen om bouwen betaalbaar te houden, de problematiek van schaarste aan technische profielen in onze sector op te vangen én echt circulair te bouwen.”
Bouwkroniek: Hoe is circulair bouwen aan industrialisering gelinkt?
Karl Neyrinck: “Industrialisering helpt in eerste instantie om meer te doen met minder menskracht. Prefab is de toekomst, en het accent op werven zal verschuiven van bouwen naar monteren. Hierdoor zijn we ook minder afhankelijk van de weersomstandigheden, wat een positieve impact heeft op doorlooptijd en het efficiënt inzetten van onze arbeiders. Daarnaast vermindert de werkdruk omdat het hele proces beter in de hand kan worden gehouden en er niet meer op de werf moet worden geïmproviseerd. De work/life balance verbetert omdat mensen in de ‘bouw’ in de fabriek om de hoek kunnen gaan werken. Maar industrialisering kan enkel met standaardisering, wat dan weer tot een gemakkelijker ‘hergebruik’ leidt. Ramen, deuren, technieken… uit oude gebouwen in nieuwe panden plaatsen, is vandaag een utopie. Omdat alles maatwerk is!”
Bouwkroniek: Is circulariteit dan enkel mogelijk als we omschakelen op industrialisering?
Karl Neyrinck: “Het is één van de voorwaarden omdat we die standaardisering nodig hebben. Daarnaast vereist circulariteit ook andere materialen, technieken en … processen. Het hangt allemaal aan elkaar: als je in de beginfase niet nadenkt over wat er op het einde van de levensduur met het gebouw moet gebeuren, kan je gewoonweg niet circulair bouwen. We moeten af van samengestelde componenten, zodat een gemakkelijke recyclage mogelijk is. En we dienen de materialen en elementen op andere manieren aan elkaar te bevestigen zodat een gemakkelijke demontage haalbaar is. Gelukkig zien we dat het ideeëngoed stilaan wordt bijgeschaafd. Circulariteit wordt intussen veel minder als onmiddellijk hergebruik beschouwd, maar wel als een gegeven waaraan we nu moeten werken om over tien à twintig jaar resultaat te boeken. We zien bijvoorbeeld steeds vaker systemen die bij een defect niet meer in hun totaliteit moeten worden vervangen, maar waar modules kunnen worden vervangen en zelfs upgrades toelaten. Dit is een trend die we met zijn allen verder moeten zetten.”
Bouwkroniek: Hoe ziet u de bouwsector evolueren in de komende jaren?
Karl Neyrinck: “Ik hoop in de richting van samenwerking en industrialisering. Dit zou onze sector een ware boost kunnen geven en indirect ons personeelstekort gedeeltelijk oplossen. De bouw zou in elk geval properder, veiliger en minder belastend worden. Volgens mij zal dat op termijn meer jongeren ertoe aanzetten om voor een carrière in onze sector te kiezen. Daarnaast opent deze evolutie opportuniteiten voor nieuwe businessmodellen en specialisaties. Dit biedt dan weer kansen voor starters en kmo’s in een economisch landschap dat naar consolidatie van grote groepen neigt.”
Bouwkroniek: Tenslotte graag nog iets over voorzitterschap bij Embuild. Met welke ambities hebt u deze rol aangenomen?
Karl Neyrinck: “Als voorzitter van Embuild Vlaanderen had ik de kennis van de lopende dossiers. Na het plotse overlijden van Christophe was het zaak om zo snel mogelijk een vervanger te vinden. De sector is in volle evolutie en heeft nood aan alle steun die we als sectororganisatie kunnen geven. We wilden dus niet dat lopende of op stapel staande projecten vertraging zouden oplopen omdat er geen voorzitter was. Aangezien ik deze positie al bij Embuild Vlaanderen uitoefende, vonden ze mij de aangewezen persoon om de taken van Christophe over te nemen. Zo eenvoudig is het dus allemaal gegaan. Omdat mijn mandaat maar anderhalf jaar loopt, is het niet mijn taak of ambitie om drastische veranderingen door te voeren. Ik wil vooral continuïteit garanderen, voor de sector in zijn totaliteit, maar ook voor de interne werking die we aan het reorganiseren zijn. Zelf ben ik een grote voorstander van minder versnippering en een betere stroomlijning van onze afdelingen. Daarom zal ik er alles aan doen om het actieplan ‘Embuilding the Future’ – dat de vorige voorzitter initieerde om dit te realiseren - verder uit te rollen. Concreet willen we een governance opzetten met meer interactie en gezamenlijke services om het sterke geheel van verschillende eilanden nog te versterken en beter te laten samenwerken. Daarnaast wil ik inzetten op projecten die ervoor zorgen dat kennis uit onderzoek beter naar de bedrijven doorstroomt. Zodat onze bedrijven industrialisatie en digitalisering kunnen omarmen én gemotiveerd worden om hun processen aan te passen. Tenslotte willen we met Embuild met alle betrokken partijen blijven praten om ze te overtuigen dat verandering noodzakelijk is. In eerste instantie met de verschillende overheden, maar ook met bijvoorbeeld de financiële instellingen. Met misschien wel de ultieme ambitie: ons beroep terug aantrekkelijker te maken, door te demonstreren dat we innovatief zijn en dat werken op een bouwwerf niet langer onveilig, vuil en complex hoeft te zijn.”